Egija Zaura is hoogleraar orale microbiële ecologie en hoofd van de sectie Preventieve Tandheelkunde van het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA).

Kijkend naar uw naam en luisterend naar uw geringe accent trekt uw niet-Nederlandse achtergrond de aandacht. Wilt u daarover iets vertellen?

Ik ben geboren in Riga, de hoofdstad van Letland. Mijn jeugd heeft zich in de zeventiger en tachtiger jaren afgespeeld toen mijn vaderland nog behoorde de Sovjet-Unie. Mijn voornaam Egija (de g uitspreken als in de Franse naam Guy en de ij als de afzonderlijke letters i en j) was toen ook in mijn vaderland een ongewone naam. Deze naam is waarschijnlijk afgeleid van Egeïsche Zee en is inmiddels een naam die in Letland redelijk veel voorkomt. Over mijn achternaam is ook iets bijzonders te vertellen. In het Lets is het gebruikelijk dat een naam een vrouwelijke en een mannelijk uitgang heeft. Ik heet Zaura, maar mijn vader heet Zaurs. Veel namen in Letland eindigen op een s voor de mannelijke vorm en op een a voor de vrouwelijke vorm. Ook in het Russisch hebben namen een mannelijke en een vrouwelijke uitgang. Mijn moedertaal, het Lets, is een Oud-Germaanse taal en staat heel dicht bij het Oud-Pruisisch. De Letse grammatica is gebaseerd op het Latijn en zit heel logisch in elkaar. De Nederlandse grammatica is voor mij veel lastiger door de vele uitzonderingen op regels. Tot mijn twintigste was ik tweetalig; naast het Lets sprak ik vloeiend Russisch. Inmiddels is het Russisch wel een beetje weggezakt, maar als ik me inspan lukt het me nog wel. De basis van het Nederlands heb ik geleerd door samen met mijn zoontje kinderboeken te lezen en door op de televisie naar kinderseries als Sesamstraat te kijken en te luisteren. In de beginperiode heb ik het meeste gehad aan nieuwszenders op de Belgische televisie. Vlamingen spreken de Nederlandse woorden namelijk duidelijker uit dan Nederlanders. Inmiddels ben ik mijn taalkennis aan het verbeteren door Nederlandse literatuur te lezen en toneelvoorstellingen te bezoeken.

De studie tandheelkunde ben ik begonnen in Letland, maar het grootste deel heb ik gevolgd in Zweden. Toen Letland na de Tweede Wereldoorlog onderdeel van de Sovjet-Unie werd, stuurde Zweden de Letse en Estse oorlogsvluchtelingen terug naar hun land. Bij de sovjets waren alle vluchtelingen per definitie staatsvijanden en zij belandden in Siberië, in de strafkampen van de Goelag. Toen Letland in 1991 weer onafhankelijk was geworden door het uiteenvallen van de Sovjet-Unie voelde Zweden dat men iets voor Letten en Esten moest doen. Die mogelijkheid deed zich onder andere voor toen bleek dat er in die tijd te veel tandartsen in Zweden waren. Van hogerhand voelde men er echter niets voor om een van de opleidingen tandheelkunde te sluiten. Toen kwam men op het idee vijf Letten en vijf Esten toe te laten tot de studie tandheelkunde. Ik behoorde tot de gelukkigen. Wij leerden in Stockholm snel Zweeds, maar de studie werd gegeven in het Engels. Onze groep studenten sprak vrij snel prima Zweeds. Dat was ook nodig in de omgang met patiënten. Wij hebben zelfs tijdens een college een docent gevraagd in het Zweeds verder te gaan omdat zijn verhaal enorm werd beperkt door zijn Engels.

Tijdens mijn studie in Stockholm heb ik steeds de bedoeling gehad terug te gaan naar Letland zodra ik de studie had afgerond. Dat heb ik ook gedaan, evenals mijn Letse studiegenoten, maar dat liep toch uit op een teleurstellende ervaring. Mijn belangstelling ging uit naar onderwijs geven en onderzoek doen. Wij voelden ons echter niet welkom bij de opleiding tandheelkunde in Riga. Ik denk dat de docenten bang waren dat wij meer kennis hadden dan zij en dat zij van hun posten zouden worden verdreven. Naast mijn werk als tandarts heb ik op vrijwillige basis lesgegeven aan mondhygiënisten in opleiding, maar verder waren er voor mij geen kansen om me in Letland te ontwikkelen. Louter als tandarts werken, gaf mij weinig bevrediging. Dat gevoel werd versterkt door wat een docent in Stockholm tegen ons had gezegd: “Even monkeys can be taught how to drill. You have to understand why!”.      

Toen lachte onverwacht het geluk mij wederom toe. In Letland organiseerde de European Organisation for Caries Research (ORCA) in 1996 een zogenoemde Summer School. De Letse collega’s verstonden in die tijd echter amper Engels en de organisatoren vroegen mij op te treden als vertaler. Een van de sprekers was de beroemde Nederlandse hoogleraar in de preventieve tandheelkunde Bob ten Cate. Bob vroeg naar mijn toekomstplannen. Ik zei dat ik onderzoek wilde doen en dat daarvoor in Letland geen geld beschikbaar was. Hij zei: “Kom naar Nederland. Wij hebben geld”. De volgende ochtend kwam hij naar mij toe met een A4 waarop hij ideeën voor diverse potentiële onderzoeksprojecten had geschreven. Dat maakte het aanbod direct heel concreet. Ik kon kiezen uit een promotietraject van vier jaar of een masterstudie van twee jaar. Ik ben voor twee jaar gekomen, maar uiteindelijk ben ik toch voor het hele promotietraject gegaan. Onderzoek werd mijn grote passie. Ik zeg vaak dat ik me echt een zondagskind voel – ik heb een hobby waarvoor ik betaald krijg. Na 22 jaar ben ik hier nog steeds, met een gezin en een lieve Nederlandse schoonfamilie die mij als eigen dochter omarmt. Ik ben dus nog lang niet klaar in Nederland.

Wat is u opgevallen aan de Nederlandse samenleving en is het u gelukt om u hier thuis te voelen?

Voor mijn komst had ik alleen ervaring met de samenlevingen in Letland en Zweden. Het grote voordeel van Nederland ten opzichte van Zweden vond ik dat hier iedereen open en vriendelijk was. In Zweden ben ik altijd een buitenlander gebleven. Op feestjes in Zweden sprak aan het begin van de bijeenkomst iedereen Engels, maar vrij snel ging dat over in Zweeds en werden wij, Baltische studenten, snel vergeten. Hier voelde ik me absoluut geen buitenstaander.

Een interessant fenomeen in de Nederlandse samenleving vind ik de verjaardag. Vooral die verplichting. Iedereen wordt geacht zijn verjaardag te vieren met een traktatie. In Letland staan de mensen op hun verjaardag in het middelpunt. Vele bossen bloemen in ontvangst nemen is de belangrijkste activiteit van een jarige in Letland. En niet alleen op verjaardagen. Bij elke wissewas begroeten Letten elkaar met bloemen. Op 1 september – de eerste dag van elk schooljaar – krijgt iedere basisschooldocent bloemen van alle leerlingen in hun klas. Ik herinner me 1 september als een dag waarop het klaslokaal een enorme bloemenzee was.

Letten vieren trouwens eigenlijk twee keer per jaar een verjaardag. Dat komt door het verschijnsel naamdag. Bij elke dag van het jaar staat op de Letse kalender een voornaam en iedereen die die voornaam heeft, viert op die dag zijn of haar naamdag. Mijn kinderen hebben dan ook allebei Letse voornamen om deze gebeurtenis niet te hoeven missen. Voor alle bijzondere en nauwelijks voorkomende voornamen is 22 mei de naamdag. Op die dag vieren wij de naamdag van mijn man.

Welke grote ontwikkelingen staan ons binnenkort te wachten op het terrein van uw vakgebied?

Als sectie Preventieve Tandheelkunde van ACTA hebben we een gemeenschappelijke missie. We willen op een bepaald moment precies weten wat een gezonde mond is. Tot nu toe heeft de mondzorg zich beziggehouden met de behandeling van ziektesymptomen. Nu richten we ons op de preventie van ziekte en op het herstel van de gevolgen van ziekte. En bij dat streven naar herstel maken we gebruik van de resilience (weerstand), de mogelijkheden tot herstel die ons lichaam van nature biedt. Wij stellen ons de vraag wat wij moeten doen om ervoor te zorgen dat die resilience volledig tot zijn recht kan komen. Dat herstel moet in een zo vroeg mogelijk stadium worden ingezet en niet pas als het kwaad is geschied. In samenwerking met meerdere onderzoeksgroepen in de Verenigde Staten doen we onderzoek bij Amerikaanse peuters op consultatiebureaus. We nemen onder andere monsters van hun speeksel en van hun orale biofilm. Daaruit is gebleken dat het microbioom van hun speeksel al drie jaar voor de klinische tekenen van cariës de tekenen van verminderde gezondheid toont. Duidelijk is dus dat we al vanaf de geboorte maatregelen moeten gaan nemen om een gezonde mond te kunnen garanderen.