Elinor Bouvy-Berends behaalde in 1968 het tandartsdiploma aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Vanaf het jaar 1972 was zij vervolgens werkzaam in de mondzorg voor mensen met beperkingen. Eerst in Nootdorp en vervolgens in Rotterdam. Zij was voorzitter en is erelid van de Vereniging tot Bevordering der Tandheelkundige Gezondheidszorg voor Gehandicapten (VBTGG) en is oprichtings-lid van de Commissie Bijzondere Tandheelkunde (COBIJT). In 1993 werd zij de eerste vrouwelijke voorzitter van het Nederlandsch Tandheelkundig Genootschap. Binnen de Koninklijke Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (KNMT) was zij actief in de werkgroep Bijzondere Zorggroepen. Sinds 2016 is zij voorzitter van de Fibrodysplasia Ossificans Progressiva Stichting Nederland.

Toen u in de zestiger jaren van de vorige eeuw tandheelkunde studeerde in Utrecht was u vermoedelijk een van de weinige vrouwelijke studenten. Was dat een prettige ervaring?

Er waren 80 mannelijke en vijf vrouwelijke studenten. In de kliniek aan de Jutfaseweg in Utrecht werkten we tijdens practica aan lange tafels in alfabetische volgorde van onze achternamen. Als enig meisje zat ik aan een grote tafel met alleen maar kerels. Afkomstig als ik was van een katholiek meisjesgymnasium ben ik in die kliniek flink ontgroend. Maar eigenlijk werden wij met ons vijven wel door al die mannen op handen gedragen, zowel door de medestudenten als door de docenten, en dat door de hele studie heen. Bij de docenten hadden de vrouwelijke studenten absoluut een streepje voor. Maar daar kwam een drastisch einde aan toen we onze studie hadden voltooid. Er waren bijvoorbeeld twee leveranciers van tandheelkundige producten, de toenmalige dental depots, die de gewoonte hadden studenten in het laatste jaar van de studie uit te nodigden voor een diner met de bedoeling hen als klanten in te lijven. Zij vonden het echter niet nodig de vrouwen hiervoor uit te nodigen want hun gedachte was dat zij toch geen eigen praktijk gingen beginnen. Men vond het volstrekt normaal te veronderstellen dat die paar vrouwen ergens bij een toenmalige instelling voor schooltandverzorging zouden gaan werken. En bovendien gingen ze ervan uit dat de meeste vrouwen toch wel zouden trouwen met een mannelijke collega. Ik kan me nog goed herinneren dat ik erg nijdig was op die dental depots. Overigens hadden ze wel gelijk met hun veronderstelling dat de meesten met een tandarts zouden trouwen. Ik was de uitzondering op die bijna regel.

 U bent waarschijnlijk ook een van de eerste werkende moeders van die tijd. Hoe ging dat?

Oh, het is grappig dat je denkt dat dit nieuw was. Ik heb dat echter totaal niet zo beleefd. Niet ik was daarin mijn tijd vooruit, maar mijn moeder was dat al veel eerder. In de opvoeding van mijn moeder heb ik meegekregen dat ik onder alle omstandigheden in staat moest zijn om voor mijzelf te zorgen. Mijn vader was burgemeester in een Brabants dorp, maar mijn moeder gedroeg zich niet als burgemeestersvrouw. Zij had haar eigen werk en leefde haar eigen werkzame leven. Voor mij was het dus volstrekt normaal dat ik als moeder van twee kinderen als tandarts werkzaam was. Mijn man Frans was destijds als chemicus werkzaam bij het grote bedrijf Gist-Brocades in Delft en wij hadden prima afspraken over de huishoudelijke taken en het grootbrengen van onze kinderen.

Wanneer en hoe is uw passie voor mensen met een beperking ontstaan?

Na mijn afstuderen heb ik twee jaar als tandarts-docent gewerkt bij de opleiding tandheelkunde van de Universiteit van Amsterdam. Ik werkte daar op de afdeling Kindertandheelkunde en moest laatstejaarsstudenten begeleiden die ouder waren dan ik. Dat was niet eenvoudig, maar ik wist mij wel staande te houden. Een van de ervaren collega’s betrok mij bij de behandeling in narcose van kinderen met een beperking. Daarnaast behandelde ik ook kinderen met een beperking van een mytylschool in Delft. Een collega-tandarts in Delft die betrokken was bij een zorginstelling voor kinderen met een verstandelijke beperking, Craeyenburch in Nootdorp, was op zoek naar een tandarts voor deze instelling. Hij meende dat ik geschikt zou zijn voor dit werk en heeft mij die richting op geduwd. Ik heb daar vele jaren met plezier gewerkt en ben in 1988 overgestapt naar Rotterdam om daar met anderen de Stichting Bijter in het leven te roepen die een centrum voor bijzondere tandheelkunde voor kinderen en volwassenen met allerlei beperkingen beheerde.

Wat is het belangrijkste dat u in de loop der jaren voor de mondzorg van mensen met een beperking hebt weten te bereiken?

De belangrijkste ontwikkeling is zeker dat de mondzorg voor mensen met een beperking kon worden gefinancierd vanuit de toenmalige Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Dit was een verplichte, collectieve ziektekostenverzekering voor niet-verzekerbare ziektekostenrisico’s en langdurige zorg. In 2015 is de Wet langdurige zorg (Wlz) daarvoor in de plaats gekomen. De verworvenheid dat de AWBZ werd uitgebreid met een paragraaf bijzondere tandheelkunde is trouwens niet mijn verdienste. Ik heb slechts meegedacht. De voortrekkers waren Rob Burgersdijk, Willem Berendsen, Peter Meeuwissen, Marcel van Grunsven en Ab Heyboer en zij kregen medewerking vanuit de tandheelkundige tak van de Inspectie voor de Volksgezondheid van Kees Kranenburg. De regeling bijzondere tandheelkunde is een unieke verworvenheid die nergens in de wereld wordt geëvenaard.

Hoe vindt u het om na uw pensionering nog werkzaam te zijn voor Fresh Unieke Mondzorg?

Vakinhoudelijk vind ik het bijzonder interessant om als het ware vanuit een computer bij jonge collega’s mee te kijken naar wat ze doen. In het begin had ik wat moeite om te wennen aan het functioneren in een grote organisatie als Fresh Unieke Mondzorg nu eenmaal is. Inmiddels lukt dat uitstekend. Ik ontmoet natuurtalenten in het omgaan met en in het behandelen van ernstig verstandelijk beperkte mensen. Deze natuurstenen moeten alleen nog een beetje geslepen worden. Het is me een genoegen daaraan een steentje bij te dragen.

Wilt u tot slot iets vertellen over uw andere werkzaamheden als bestuursvoorzitter van de Fibrodysplasia Ossificans Progressiva Stichting Nederland?

Fibrodysplasia ossificans progressiva (FOP) is een zeer zeldzame ziekte waarbij de spieren en de pezen in de loop van het leven in bot veranderen. Het is een afgrijselijke ziekte die gelukkig slechts een op tweemiljoen mensen treft. In Nederland hebben 10 personen de ziekte en wereldwijd gaat het om ongeveer 900 personen. Ongeveer 15 jaar geleden kwam in het dorp waar wij toen woonden een moeder bij mij met haar vierjarige zoon die FOP had. Ik had nog nooit van de ziekte gehoord. De jongen had een beperkte mondopening. Ik heb contact gezocht met hoogleraar mondziekten en kaakchirurgie Geert Boering in Groningen. Hij is in de universiteitsbibliotheek op zoek gegaan naar informatie over de orale problemen van FOP en heeft niets gevonden. Ik kreeg goed contact met de moeder van het jongetje. Toen kort daarna een patiëntenorganisatie voor mensen met deze ziekte werd opgericht, heeft zij mij aangemeld als kandidaat voor een bestuursfunctie. Ik ben toen in het bestuur benoemd. In 2009 organiseerden we een eerste congres over de ziekte en tijdens dat congres heb ik samen met een mondhygiënist een workshop gegeven over de mondverzorging van deze patiënten. Ik kwam ook in contact met artsen die onderzoek verrichten naar de ziekte en inmiddels is er een expertisecentrum aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Toen in 2015 de voorzitter van de Stichting zijn afscheid aankondigde, ben ik benoemd tot zijn opvolger. Het is een erg moeilijke materie, maar zeer dankbaar werk om te doen. Het kost me alles bij elkaar 20 uur per week. Opvallend is dat ik de enige functionaris ben die niet zelf een familielid met de ziekte heeft. Ik zie het als mijn taak als brug te fungeren tussen de artsen met hun wetenschappelijke taal en de patiënten en hun familieleden.