Voor hoogbejaarden is een kunstgebit hun derde gebit: het melk- en een ‘blijvend’ gebit zijn van je zelf en de derde krijg je van de tandarts. Het hoorde gewoon bij het oud worden. Maar dat is drastisch veranderd. Velen behouden op hoge leeftijd nog hun eigen tanden en kiezen en hebben moeite met acceptatie als ze onverhoopt toch tandeloos zijn geworden; ze wennen er maar moeilijk aan. In de zorg voor hulpbehoevende ouderen is het goed daar oog voor te hebben. Daarnaast vraagt een kunstgebit de nodige, praktische zorg. 

Kaken slinken, waardoor een prothese niet goed meer past en dus loszit en pijn kan geven, of er niet mooi meer uitziet. Een tandarts of tandprotheticus zal dat op moeten lossen. Ook is het zaak een prothese en de mond zorgvuldig schoon te houden om ontsteking van de mondslijmvlies tegen te gaan en te voorkomen dat de patiënt een onaangename mondgeur krijgt (‘halitose’ of ‘foetor ex ore’ genoemd). 

Dat geldt zeker wanneer de patiënt nog enige eigen tanden heeft en een frame of een plaatje draagt, óf implantaten in de kaak heeft. De tandarts en de mondhygiënist kunnen aan het oplossen daarvan een belangrijke bijdrage leveren, maar ook degenen die bij de dagelijkse verzorging voor patiënt betrokken zijn, denk aan verzorgenden of de familie van de patiënt. In de voordracht komen deze aspecten aan de orde en wordt nader ingegaan of de praktische bijdrage die iedereen die met de zorg van de hulpbehoevende ouderen te maken heeft, kan leveren.

Terug naar de sprekers